Als je failliet gaat, begin je toch gewoon opnieuw?
Ondernemers klagen dat ze de weg kwijtraken in de administratieve doolhof. Federaal minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen Vincent Van Quickenborne (Open Vld) vindt dat ze daar deels zelf schuldig aan zijn. Toch zou hij graag zien dat meer Belgen het voorbeeld van zijn broers volgen: een eigen zaak starten. “De beste job blijft diegene die je zelf creëert. Waarom doen mensen dat bij ons niet?”
De laatste dagen kwam Vincent Van Quickenborne vooral met het afschaffen van de doktersbriefjes in het nieuws. Maar ook in het bedrijfsleven kan er nog flink in de papierberg gesnoeid worden. België telt te veel administratie en te weinig startende ondernemingen, luidt de kritiek. De cijfers bevestigen dat. Vorig jaar daalde het aantal startende zelfstandigen in ons land met 8,5 procent. En met 808 faillissementen in amper een maand tijd is 2010 ook niet echt goed ingezet.
De ochtend dat we Van Quickenborne ontmoetten, trekken 30.000 vakbondsmilitanten de straat op om te betogen voor werk en respect. Eerder in de week lanceerden ook de werkgevers een campagne, met als slogan ‘Laat ons ondernemen!’. Een thema dat de minister nauw aan het donkerblauwe hart ligt. Toch hebben volgens hem zowel werkgevers als vakbonden boter op het hoofd. “Bij de vakbond is niet iedereen met zijn tijd mee, maar ook werkgevers houden te veel vast aan het status quo.”
U bent federaal minister van Economie. Waarom horen we u zo weinig over de arbeidsmarkt?
Dat behoort minder tot mijn beleidsdomeinen, maar ik heb er wel een mening over. Ten eerste ligt de werkzaamheidsgraad bij vijftigplussers veel te laag. Daarom moet onder meer het brugpensioen
uitdoven, ook om ons sociaal systeem betaalbaar te houden. Het is toch niet normaal dat iemand die zijn hele leven van een uitkering heeft geleefd, een bijna even hoog pensioen krijgt als iemand die zijn hele leven heeft gewerkt.
Daarnaast ligt onze werkloosheidsgraad te hoog. Dat was trouwens ook al het geval toen het economisch goed ging, al hangt dat af van de regio. West-Vlaanderen had tijdens de hoogconjunctuur een werkloosheidsgraad van maar 3 à 4 procent. Daar zit het probleem dus niet. Steden als Oostende
en Antwerpen daarentegen schommelen rond de 10 procent, ook toen het goed ging. En in Henegouwen loopt dat al gauw op tot 20 à 25 procent. Die structurele werkloosheid moet aangepakt worden.
Een voorbeeld. Momenteel betaalt de federale overheid de werkloosheidsuitkeringen volledig. Als je een deel van die financiële verantwoordelijkheid naar de regio’s brengt, hebben zij een veel grotere stimulans om de
werkloosheid aan te pakken. Ik ben er ook voorstander van om het bedrag van de uitkeringen
te laten dalen in de tijd. Zo gaan mensen sneller op zoek naar een nieuwe job en zullen ze zich vlugger bijscholen. De omslag naar een innovatieve, creatieve economie gaat zo snel dat er in een carrière van 40
jaar veel kan veranderen. Werknemers zullen zich voortdurend moeten bijscholen.
U haalde West-Vlaanderen als voorbeeld aan. Een regio waar niet alleen de werkloosheid lager ligt, er zijn ook meer startende ondernemingen dan elders.
Er is misschien iets meer ondernemerschap, maar ook niet overdreven. Belgen kiezen gewoonweg graag voor het ‘comfort’ van een werknemersstatuut. Mijn broers hebben de stap naar een eigen zaak wel gezet. De mooie gezinswagen die ze als werknemer hadden, hebben ze ingeruild voor een klein autootje. Hun inkomen
ligt bovendien een pak lager. Zo’n risico nemen, zit ons weinig in het bloed. Akkoord, er is de kans dat je startende onderneming op de fles gaat. Maar dat hoeft het einde van de wereld niet te zijn. Je leert
daar uit en begint opnieuw. In Amerika zit dat er in gebakken. Mensen starten er vanuit hun keuken allerlei zaakjes op. De beste job blijft toch diegene die je zelf creëert.
Waarom doen mensen dat bij ons niet?
Omdat de reglementitis te groot is? De werkgeversorganisaties klagen daar toch over in hun campagne.
Maar sommige van die organisaties houden dat deels zelf in stand. Unizo is dé organisatie die vindt dat je niet mag winkelen op zondag en die tegen de koppelverkoop was. Het VBO wil dat de loonkost wordt aangepakt. Dat is nodig, maar er moet evengoed iets aan de flexibiliteit gedaan worden. Vrouwen moeten werk en gezin
beter kunnen combineren. Sommigen,waaronder mijn zus, willen vier vijfden werken. Veel conservatieve werkgevers zijn daar tegen.
Op sommige punten houden werkgevers zelf te veel vast aan de status quo. Dat vind ik jammer aan hun campagne. Het is een gemiste kans om out of the box aan een nieuw sociaal contract te werken.
Ook bij de vakbond is niet iedereen met zijn tijd mee. Waarom houden ze zo vast aan de 38-urenweek met prikklok? Als iemand nu de ene week 30 uur wil werken en de andere 50 uur. Waarom kan dat niet?
Allez, een halfjaar geleden protesteerde de vakbond omdat BASF Antwerpen de werkweek wou optrekken van 33,6 uur naar 35 uur. Ik weet niet wie er dat kan, maar 33,6 uur per week werken. Zowel bij
werkgevers als bij vakbonden zijn er voorbeelden te vinden van mensen die ziende blind zijn. Natuurlijk moet de politiek nog veel veranderen, maar zij moeten dat evengoed.
U pleit voor meer flexibiliteit, maar dat veronderstelt ook dat de administratie soepeler wordt.
Er zijn daarin al heel wat stappen gezet. Het opstarten van een bedrijf aan het ondernemersloket is nog nooit zo gemakkelijk geweest. Binnenkor t kan je via het systeem van de Starters Bvba een bvba opstarten voor één euro. Een van de problemen waar starters mee kampen is dat ze, om een klassieke bvba op te richten,
18.000 euro startkapitaal op tafel moeten leggen. Jonge gasten hebben dat geld meestal niet. Er zijn te weinig ondernemers in ons land omdat we het hen te moeilijk gemaakt hebben. We zijn bijvoorbeeld te betuttelend op het vlak van overuren.
Een vriend van mij heeft drie goeddraaiende kledingwinkels. Omdat het op zaterdag zo druk is, wil hij ook op zondag opendoen, maar hij mag niet. Hij heeft daarvoor zelfs de economische inspectie aan zijn deur gekregen.
Meer digitalisering is een van uw stokpaardjes. Is dat de oplossing voor de papiermolen?
Het kan niet anders dan dat ICT nog belangrijker zal worden. Als je iemand aanwerft en dat meldt aan de overheid gebeurt dat vandaag elektronisch. Een van de grootste papierslagen in ons land zijn facturen. Jaarlijks zijn er één miljoen stuks. Momenteel wordt daar maar 1 procent elektronisch van verstuurd. Als je alle facturen elektronisch zou maken, zou het bedrijfsleven 3,5 miljard euro besparen. Begin dit jaar hebben we de wetgeving zo versoepeld dat die geen extra eisen meer oplegt voor elektronische facturen. Hopelijk verloopt tegen 2015 de helft van de facturatie gedigitaliseerd.
Een opvallend initiatief voor de werknemer is de elektronische maaltijdcheque die u in het leven wil roepen.
Die moet er dit jaar komen. In welke vorm zal de markt bepalen: via een nieuwe kaart, je bankkaart of elektronische identiteitskaart. Op termijn mag je nog maar één kaart nodig hebben: je E-id. Ook de SISkaart
gaan we afschaffen. Dat klinkt evident, maar voor enkele miljoenen kaarten is dat niet zo snel geregeld. De geldwaarde moet juist zijn, de handelaar moet die som krijgen … Je kan het je niet permitteren dat er twee euro minder op staat of de werknemers staan in rep en roer.
Waarom digitaliseren bedrijven niet massaal als het hen zoveel geld kan besparen?
Het is natuurlijk niet vanzelfsprekend om je manier van werken van de ene dag op de andere helemaal om te slaan. Dat heeft zijn tijd nodig.
Zijn Belgische werkgevers niet te conservatief? Wat innovatie betreft, doen we het bijvoorbeeld nog altijd minder goed dan onze buurlanden.
De Lissabonnorm schrijft voor dat overheid en bedrijven drie procent van het bbp aan onderzoek en innovatie besteden. België schiet daarin tekort. Ook in het aantal aangevraagde patenten. Nochtans heeft
de federale regering op het vlak van innovatie veel initiatief genomen. Zo worden er zware belastingkortingen gegeven voor onderzoekers. Onze belastingen op inkomsten uit patenten en octrooien zijn de laagste van Europa. Dat is goed voor de farmaceutische industrie, maar ook voor de textielsector en de technologie.
Daarnaast hebben we gezorgd voor het systeem van innovatiepremies. Daardoor kunnen werknemers een maand loon krijgen dat netto gelijk is aan bruto, dus zonder sociale lasten en zonder belasting. Een
bedrijf als AGC, het vroegere Glaverbel, beloont op die manier werknemers die meedenken over het innovatieproces. Innoveren is geen zaak van professor Gobelijn in zijn labo, maar van iedereen op de werkvloer.
Toch zijn er vorig jaar veel minder innovatiepremies aangevraagd.
Dat geef ik toe. Slechts 800 bedrijven hebben daar gebruik van gemaakt. Maar dat is niet mijn schuld, hé. De werkgeversorganisaties moeten hun leden veel meer aanmoedigen om die premies aan te vragen. Ze vragen om systemen die innoveren betaalbaar maken en als die dan bestaan, laten ze ze links liggen. Ik vind dat onbegrijpelijk.
Dat ze zich eens laten inspireren door een bedrijf als AGC. Die premies gaan daar naar werknemers die misschien 1.200 euro per maand verdienen. Dat is niet veel. Als die zo’n premie krijgen, betekent dat niet alleen extra centen, maar voelen ze zich ook gewaardeerd omdat er naar hun mening wordt gevraagd.
In Knack liet Vlaams minister van Innovatie Ingrid Lieten (sp.a) verstaan dat Vlaanderen voorlopig geen geld heeft voor innovatie. Ik viel van mijn stoel toen ik dat las. ‘We hebben geen geld voor innovatie. Jammer’,
zei ze. Als de politiek al begint te zeggen dat het niet gaat, wat moeten de mensen dan wel niet denken?
Hebben bedrijven momenteel wel het geld om te innoveren? Luc Van Steenkiste, CEO bij schuimrubberfabrikant Recticel en extopman van het VBO, beweert dat kleine ondernemingen daar de centen niet voor hebben.
Ik betwist dat. Kijk naar het bedrijf van mijn broers. Dat is een KMO met acht man. Die doet niets anders dan innoveren. Een bedrijf als Netlog, dat is ook een KMO. Daar doen ze toch puur aan innovatie?
Computerbedrijven Televic en Traficon zijn nog zo’n voorbeelden. Ik kan je een hele lijst geven van KMO’s die voortdurend innoveren.
Iedereen is het erover eens dat innovatie belangrijk is. Cruciale voorwaarde om de arbeidsmarkt uit het slop te trekken, is dat het sociaal overleg weer op gang komt. Maandag nodigt premier Leterme vakbonden en werkgevers uit. Wat verwacht u daarvan?
Ik hoop dat we uit de stellingenoorlog geraken van ‘wij’ tegen ‘zij’ en dat elk van de organisaties toegeeft wat ze zelf beter kunnen doen. Er moeten ook een aantal moedige beslissingen genomen worden. We zullen
langer moeten werken. Vijftigplussers mogen we niet meer dumpen met een uitkering. Gepensioneerden moeten langer actief kunnen blijven, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken om onbeperkt bij te verdienen.
Wie wil werken, moet dat volop kunnen. Want er is nog werk, er zijn nog nieuwe jobs. Als we krampachtig tegenhouden dat onze bedrijven investeren in het buitenland, verarmen we onze economie. Dan gaan buitenlandse bedrijven ook niet meer in ons land investeren. Denk aan Bekaert. Dat bedrijf heeft geherstructureerd maar er zijn ook nog jobs, deels omdat er ook in China verkocht wordt. Ik hoop dat er eens een nieuw concept op tafel gegooid wordt. In Nederland hebben werkgevers, werknemers en overheid samen het poldermodel uitgestippeld.
Die durf wil ik ook graag bij ons zien.
Dit interview verscheen op 5 februari in Jobat.